Creativiteit als een a priori

1 november 2012

Column van Els van Swol, afzwaaiend programmacommissielid (uitgesproken op NVMB Studiedag 30 oktober 2012).

Creativiteit als een a priori [zonder kennis vooraf] 1

‘Laat ik het maar meteen in de groep gooien: ik voel veel voor wat dialectiek wordt genoemd; het idee dat de wereld verandert, zich ten goede ontwikkelt ten gevolge van differenties. En – dat impliceert het woord dialektikè –: voor een dialoog. Dit geldt ook voor het bibliotheekwerk, wat mij betreft. Want daar gaat het vanmiddag over.’

Zo wilde ik mijn column beginnen. Maar ik had er toch geen goed gevoel bij: hoezo dialectiek? Hoezo een tegenover elkaar staande these (bedoeling), antithese (het gezochte) en synthese (amalgaam), want wat zou die synthese dan moeten inhouden? En moet je dan weer opnieuw beginnen?

Bedoel ik niet veelmeer een analogie: twee verhalen die niet zonder elkaar kunnen en elkaar voortstuwen, die dwingen tot continuïteit? Zoals bij King Lear van Shakespeare, met Lear en zijn dochters, Gloucester en zijn zonen? Een spiegelverhaal dat weliswaar vergelijkbaar is met de optische dialectiek in werken uit 1934 van Alexander Calder, maar daarmee is dan ook alles gezegd. Want die verhaaltechniek is méér dan een techniek alleen; de vorm bevestigt de inhoud, een inhoud die gaat over onze nood en over onze hoop.

Laten we concreet worden: het gaat om – dat had de goede verstaander natuurlijk al begrepen – de fysieke bibliotheek aan de ene kant van het spectrum, zoals de studiezaal van de Bibliotheca Rosenthaliana die we tijdens de studiemiddag begin dit jaar hebben gezien, en de virtuele bibliotheek aan de andere kant.

En ik zou in de oorspronkelijke opzet verder zijn gegaan met de opmerking: ‘Laat die dialectiek gewoon staan, tussen zeg maar oude jongeren die pleiten voor een fysieke bibliotheek en zogeheten jonge honden die zweren bij een virtuele.’ Maar met die isolering schieten we niets op, want besef wél dat ze elkaar nodig hebben, die jonge honden en die oudere jongeren, dat de virtuele bibliotheek niet zonder de fysieke kan. En omgekeerd.
Dan kom je hoe je het ook wendt of keert niet uit bij een synthese, maar bij een a priori: creativiteit die aan de basis ligt, een bron waaruit beiden, jonge honden en oudere jongen, fysieke en virtuele bibliotheek kunnen drinken en op hun eigen manier aan het levend houden ervan kunnen bijdragen.

Zoals op het schilderij Het goede bestuur van Lorenzetti in het Palazzo Pubblico in Siena – met een knipoog aan het bestuur van de NVMB, en aan ons van origine Italiaanse mede-programmacommissielid Attilio Bottegal (de andere twee komen straks wel aan de beurt, wees maar niet bang …), die mij voor menige blunder behoedde!

De serie fresco’s neemt drie wanden in beslag. Het goede bestuur is uiteraard in het midden afgebeeld. Als de plaats waar iedereen elkaar treft. Hier treffen 24 vreedzame burgers elkaar - de oude en de nieuwe garde. Je kunt er eindeloos naar kijken, maar we gaan verder, terug in de tijd.

Richting het lege midden, de agora, de plaats waar de dialoog tussen oud en jong vanouds plaatsvond.
Vergelijk het met de functie van de NVMB, waar we elkaar ontmoeten en netwerken; Ian Borthwick (hier volgt collega programmacommissielid nummer 2…) heeft terecht wel eens gewaarschuwd om voor dat laatste - ontmoeten en netwerken -, tijdens een studie(mid)dag genoeg tijd in te ruimen. En hij heeft me ook geleerd niet alles dicht te willen timmeren, maar die openheid te hebben die zo’n plein kenmerkt.

De bibliotheek kent ook van die open plekken. Of, zoals Frank van Vree – decaan van de Faculteit der Geesteswetenschappen aan de UvA – in een interessante bijdrage aan De Groene Amsterdammer van 26 januari dit jaar schreef: ‘Nieuwe technieken betekenen zelden dat oude culturele vormen en praktijken verdwijnen’ – het oude wordt in de bibliotheek als het goed is niet terzijde geschoven en het nieuwe wordt er niet omarmd als zijnde alleen zaligmakend.
Want of het nu om dialectiek, spiegelverhalen of analogieën draait – Van Vree bedoelt daarmee a priori dat de creativiteit van mensen het moet maken, gebruikers en medewerkers samen, oud en jong, geletterd of niet, bemiddeld of niet – alle scheidingen te boven. Want alleen zo is er continuïteit, gaat het verhaal verder, gebeurt er wat met en tussen mensen. Dat is de opdracht die je jezelf moet stellen.

Als iemand die opdracht wel heeft voorgedaan, dan is het – last but not least – Charlotte Sienema, de secretaris van onze programmacommissie wel, met het telkens aandacht vragen voor de maatschappelijke functie van het bibliotheekwerk, de studie(mid)dagen en voor elkaar.

Misschien moeten we dan ook gewoon zeggen dat het bij de analogie die ik hier voorsta a priori gaat om Bibliotheek en Samenleving, zoals een tijdschrift van het voormalige NBLC heette. Een oud denkbeeld, maar nog steeds niet afgedaan; denk aan Van Vree!

Bibliotheek en Samenleving: dat is een kwestie van gehoor geven aan het appel dat de samenleving op de bibliotheek doet. Dat heb ik – om slechts twee voorbeelden uit de talrijke studie(mid)dagen te noemen – sterk ervaren tijdens twee elkaar mijns inziens qua invalshoek op elkaar aansluitende lezingen:
1. de lezing van filosoof Jan Flameling over Martha Nussbaum, -  hoogleraar rechtsfilosofie en ethiek aan de Universiteit van Chicago -, najaar 2004 in wat nu het   Museum Speelklok in Utrecht heet
2. de lezing ‘Openbare bibliotheken onderweg naar Volksverheffing 2.0.’ die Frank Huysmans in mei 2011 in Utrecht hield
En daarom verheug ik me ook zo op de twee komende lezingen!

Hiermee zijn we weer terug bij de NVMB.
NVMB: er wacht een schone taak om dit a priori bij de herpositionering van het fysieke en virtuele bibliotheekwerk in de samenleving met hart en ziel te doordenken – als een wegwijzer: met op de verticale as de fysieke bibliotheek met verrijkende (Volksverheffing 2.0!) en door contextualiteit verrijkte collecties en de bibliothecaris, informatiespecialist of mediacoach als makelaar. Met op de horizontale as de onderdelen van de virtuele bibliotheek. En onder de schaduw ervan een ontmoetingsplek, een agora, waar we open met elkaar in gesprek blijven, op een doorleefde manier, met respect voor elkaars oude (wat heet) en nieuwe (wat heet) denkbeelden.
Als we het dan toch over dialectiek hebben – misschien moeten we dan gewoon concluderen dat de ideale bibliotheek niet bestaat. Dat ze ook maar een instrument is en geen doel in zichzelf mag zijn. De bibliotheek van de toekomst is het fysieke en virtuele voorbij. Hoe? Dat zal die toekomst leren. Met de nadruk op het laatste.

1 Met dank aan Eddy Reefhuis, die mij wees op De christen in de maatschappij (1919) van Karl Barth, ook bekend als de Tambacher Rede.